|
door Inge de Wilde
Oude Delft nummer 95 is een markant punt in de geschiedenis van wat inmiddels is uitgegroeid tot de Technische Universiteit Delft. od 95, zoals de locatie al snel heette, was het oorspronkelijke Delftse academiegebouw dat werd betrokken nadat koning Willem II in 1842 het startsein gaf tot de oprichting in Nederland van een ‘Koninklijke Akademie ter opleiding van Burgerlijke Ingenieurs zoo voor ’s Lands Dienst als voor de Nijverheid en van Kweekelingen voor den Handel’.
Johan Willem Albarda (1877–1957) ontwikkelde zich van Tweede Kamerlid voor de sdap [1913–1939] tot minister van Waterstaat in het tweede kabinet-De Geer [1939–1940]. Tijdens de oorlogsjaren maakte hij deel uit van het Londense kabinet-Gerbrandy en na 1945 werd hij lid van de Raad van State. Tijdens zijn studie [1895–1903] aan de Polytechnische School, een van de voorlopers van de Technische Universiteit Delft, raakten Albarda en enkele andere leden van het Delftsch Studenten Corps in de ban van het opkomende socialisme. Zij voerden heftige discussies met niet-socialisten in de Debating Club, waarvan de bekende hoogleraar B.H. Pekelharing – bijgenaamd «de rode professor» – ere-voorzitter was. In 1898 richtte de groep te Delft de Sociaal Democratische Propaganda Club op, waarvoor socialisten als Henriëtte Roland Holst, Franc van der Goes en de vooraanstaandse Duitse sociaal-democraat en theoreticus Karl Kautsky spreekbeurten hielden. Albarda’s nooit eerder gepubliceerde brieven aan Geertruida Nolet-Adama, een vroegere buurvrouw uit zijn geboortestad Leeuwarden, en aan de toenmalige Middelburgse industrieel en houthandelaar F.M. (‘Floor’) Wibaut – later SDAP-kopstuk en volkshuisvestingswethouder van Amsterdam – belichten dit bijzondere aspect van het Delftse universitaire leven aan het begin van de afgelopen eeuw.
De brieven geven ook inzicht in het ontluikende ‘gevoelssocialisme’ en de grote inzet van de toenmalige student werktuigbouwkunde Albarda voor de arbeiderspartij SDAP. Albada's – politieke – inspanningen waren zelfs zo tomeloos dat het de latere SDAP-politicus soms moeite kostte in te zien dat hij eerst zijn ingenieursbul moest halen. ‘Wat kunnen mij die beroerde machines schelen waaraan arbeiders hun leven lang gebruikt worden om winst te leveren voor de fabrikant? Wat kan ’t mij schelen hoe ik die dingen moet berekenen, die ik toch nooit in de practijk ontwerpen zal. En toch, er is weer dit. Ik moet toch afstuderen. ’t Zou mijn partij nadeel doen als men mij nawijzen kon als een gesjeesd student,’ zo schrijft hij aan zijn voormalige buurvrouw Geertruida Nolet in Friesland. Dat dit door menigeen niet vermoede hoofdstuk uit de Delftse universitaire geschiedenis, met name de «rode» bladzijde uit de historie van het Delftsch Studenten Corps (DSC), bijna een eeuw later alsnog wordt gepubliceerd is vooral een verdienste van dr. Inge de Wilde. In haar zojuist verschenen brievenuitgave Een sterke geest van vrijheid schrijft ze dat het niet zo vreemd is dat juist via de DSC-sociëteit aan de Delftse Phoenixstraat veel jongeren rond 1900 in de ban raakten van het opkomend socialisme – als antwoord op de maatschappelijke ontwikkelingen die gepaard gingen met de snelle industrialisatie in de tweede helft van de negentiende eeuw. Volgens De Wilde was Delft, sterker dan andere universiteitssteden, vatbaar voor socialistische maatschappij-opvattingen. Delftse studenten kwamen, meer dan elders, in aanraking met de erbarmelijke en onhygiënische levensomstandigheden van het «proletariaat». Veel aankomende ingenieurs, zo schrijft zij, bezochten in hun studiejaren mijnen en fabrieken – eenmaal afgestudeerd, wijdden ze zich vaak aan brandende sociale opgaven als het woningvraagstuk, de aanleg van riolering en sanitaire voorzieningen of de verbranding van huisafval. De ‘sociale ingenieurs’ uit Delft, zoals de industrieel en oprichter van de Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek J.C. van Marken hen ooit noemde, waren volgens dr. De Wilde ook ‘vaak idealisten die initiatieven namen inzake veiligheid en gezondheid in fabrieken en verzekering van werklieden’.
Bijgaand artikel is het inleidende hoofdstuk tot het boek Een sterke geest van vrijheid – brieven van de student J.W. Albarda aan G. Nolet-Adema en F.M. Wibaut. Rector-magnificus prof. ir. K.F. Wakker, die met een kleindochter van Wibaut recent het eerste exemplaar van de nieuwe uitgave ontving, zei bij deze gelegenheid zich te verheugen over de groeiende belangstelling voor de universitaire historie. ‘Juist bij een technische universiteit, die voortdurend bezig is met proberen vorm te geven aan de wereld van morgen, is het belangrijk af en toe stil te staan bij het verleden en bij de bijdragen die de universiteit in dat verleden aan de ontwikkeling van ons land heeft geleverd’. De Delftse rector prees de brievenpublicatie, een boek waaruit volgens hem duidelijk blijkt ‘hoe er bij onze instelling rond 1900 een progressieve, socialistische geest heerste. Vooruitstrevender dan bij de meeste andere universiteiten.’ (red. DI/ Bhs.) Cornélie Huygens kende dit milieu uit eigen ervaring, want zij was een regelmatige gast van Pekelharing en zij wist dat onder de Delftse studenten het socialisme opgang deed.1 Dat studenten warm liepen voor het historisch materialisme en de noden van het proletariaat lag niet direct in de rede. Het studentenmilieu onderscheidde zich immers zelden door mededogen met de arbeiders en vooral de Corps-studenten plachten zich te wijden aan kroegjolen en aan ontgroeningsrituelen, waar excessen niet vreemd aan waren. Eind negentiende eeuw trad hierin echter een lichte verbetering op. De armoede van grote delen van de bevolking liet een deel van de studenten niet meer onberoerd, er werden in de verschillende universiteitssteden verenigingen voor ‘sociale lezingen’ opgericht en een klein aantal studenten bekeerde zich zelfs tot het socialisme. In het Delftsch Studenten Corps was het verzet tegen het vrijblijvende studentikoze gedrag sterker dan in de andere universiteitssteden en sterker dan elders vond in Delft het gedachtegoed van het prille socialisme weerklank. Hiervoor waren twee redenen. Aan de Polytechnische School, de voorloper van de Technische Hogeschool (1905), studeerden veel hbs’ers, die deels afkomstig waren uit milieus waar een universitaire studie niet gangbaar was en waar de financiële omstandigheden geen ruimte lieten voor uitbundig feestvieren.2 Bovendien werden in Delft de toekomstige ingenieurs tijdens hun studie doordrongen van het feit dat velen van hen later in aanraking zouden komen met de erbarmelijke en onhygiënische omstandigheden van de arbeidersklasse. De studenten bezochten mijnen en fabrieken en Delftse ingenieurs ging zich verdiepen in het woningvraagstuk en in de aanleg van rioleringen, sanitaire voorzieningen en verbranding van huisafval. Zij waren idealisten die initiatieven namen inzake veiligheid en gezondheid in fabrieken en verzekering van werklieden. Vooral de oud-Delftenaar en oprichter van de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek in Delft, Ir J.C. van Marken, verrichtte pioniersarbeid op het gebied van verbetering van de leef- en werkomstandigheden van zijn werknemers.3 Niet zonder reden droeg een artikel van hem in de Delftsche Corps-Almanak dan ook de titel: ‘Sociale ingenieurs’.4
Albarda’s eerste studiejaren Van de Delftenaren die rond 1900 het socialisme omarmden verwierf Johan Willem Albarda (1877–1957) de grootste bekendheid. Zijn loopbaan ontwikkelde zich van Tweede-Kamerlid voor de sdap in 1913 en fractievoorzitter in 1925 tot Minister van Waterstaat in het Tweede Kabinet-De Geer (1939). In de oorlogsjaren zat hij in het Londense Kabinet-Gerbrandy en na 1945 in de Raad van State. Willem Albarda kwam uit een Friese familie van notarissen en rechters, die ook opdoken in publieke functies als burgemeester of lid van Provinciale Staten. Albarda’s directe familie viel enigszins uit de toon. Zijn vader Horatius Albarda en diens broer Wopke hadden van hun vader de kleermakerij en lakenhandel, de Firma H. Albarda en Co op de Nieuwstad 132 te Leeuwarden, overgenomen en behoorden daarmee wel tot de gezeten burgerij, maar niet tot de intellectuele elite. Dit verklaart wellicht ook waarom Willem niet het gymnasium bezocht, maar de Rijks Hoogere Burgerschool. Toen hij in de tweede klas zat overleed zijn vader, zijn moeder Eelkjen Albarda-Tönjes en zijn zuster Maria volgden in de jaren daarna. De jonge Albarda, enig overgeblevene van het gezin, woonde daarom een belangrijk deel van zijn hbs-tijd bij zijn oom Cornelis (‘Kees’) Albarda, apotheker op de Nieuwstad 156 en diens vrouw Cornelia J. (‘Kee’) Albarda-Brouwer. De relatie met hen was problematisch en voor Albarda was het een bevrijding dat hij in september 1895 naar Delft kon vertrekken, waar hij werktuigkunde ging studeren en lid werd van het Delftsch Studenten Corps (dsc).5 Bij zijn komst in Delft hadden de eerste tekenen van sociale bewogenheid onder de studenten zich al aangekondigd. In 1891 was het Delftse studentenblad Stemmen hun spreekbuis; het verscheen slechts kort, maar toch lang genoeg om ‘een kolossalen schrik’ teweeg te brengen, zeker aan andere universiteiten, die door het ‘eenigszins «roode»’ van het blad, nu heel Delft zagen als een broeinest van anarchisme. In februari 1896 volgde het tijdschrift In den Nevel, dat werd volgeschreven door radicale Delftse studenten onder leiding van Isaäc P. de Vooys. Ook dit blad was socialistisch van inhoud en het voerde het motto: ‘Wij in den nevel, maar in ons het eeuwige licht van het Ideaal’. In Albarda’s tweede studiejaar organiseerden F.M. Wibaut, H.H. van Kol en P.J. Troelstra met veel enthousiasme een toernee van buitenlandse socialistische coryfeeën langs de Nederlandse universiteitssteden. In Delft spraken maar liefst vijf Europese prominenten, onder wie Eleanor Marx en Wilhelm Liebknecht. Wibaut had zich laten inspireren door de Engelse Fabians, intellectuelen die het socialisme ook onder de bezittende klassen wilden propageren. Eenmaal gewonnen voor het socialisme zouden deze samen met het proletariaat de democratie en de rechtvaardige verdeling van middelen kunnen bewerkstelligen. Wibaut had de Fabian Essays in Socialism (1891) vertaald en met zijn lezingenseries bracht hij de doelstellingen van de Fabian Society in praktijk. Pekelharing, die bij de organisatie in Delft was betrokken, berichtte tevreden aan Wibaut dat de lezingen ‘merkbaren invloed’ hadden en dat onder conservatieve Delftse studenten ‘thans anders over het socialisme (wordt) geoordeeld dan te voren’. Mogelijk volgde Albarda een of meer van de voordrachten en werd daarbij de kiem voor zijn socialistische sympathieën gelegd, maar in het begin van zijn studietijd gaf hij zich toch primair over aan de geneugten van het student-zijn. Later verklaarde hij deze wilde jaren uit gevoelens van eenzaamheid. Zonder ouderlijk huis had hij zich verloren gevoeld en in het feestvieren compensatie gezocht. Zijn functies in het Corps varieerden van commissaris van de IJsclub tot Delfts correspondent voor het Utrechtse Studentenblad Vox Studiosorum en vice-secretaris (in 1898) van de Delftse Almanak-redactie. Ook was hij secretaris van de i.g.o.v., een subvereniging van het Corps, die ‘aangename feesten voor haar leden’ organiseerde, wat in Albarda’s tijd neer kwam op een matinee met de Wiener Damen Kapel en een café-chantantavond. De afkorting scheen te staan voor Internationale Geheel- Onthouders Vereeniging, wat voor een Corpsgezelschap verrassend mag heten en bovendien stond Albarda later zeker niet als geheelonthouder bekend. Opmerkelijk voor een aankomend socialist was ook dat Albarda in 1898–1899 met zijn vriend Willem Schierbeek lid was van de Delftsche Studenten Weerbaarheid en deel nam aan de ‘Studenten Eerewacht’ bij de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in 1898 in het Paleis op de Dam. Geldgebrek vormde in Albarda’s studietijd een steeds terugkerend probleem. Als een van de weinige Corpsleden ontving hij van de thesaurier een aanmaning om zijn schulden te betalen. Het is niet altijd duidelijk of Albarda in die jaren slecht met geld om kon gaan of dat de uitkeringen waar hij uit zijn vaders erfenis recht op had regelmatig op zich lieten wachten. In Albarda’s brieven is een terugkerende klacht dat zijn voogd, oom Wopke, die de kleermakerij op de Nieuwstad nu alleen dreef, een minder goede hand van zaken doen had.
Brieven aan Floor Wibaut en Geertruida Nolet In 1898 trad een kentering in lbarda’s leven op. Hij werd ernstiger, keerde het feestvieren de rug toe en vond in het socialisme ‘een bemoedigende en veredelende stimulans in het eenzaam leven van wees’. Het heeft er alles van dat het socialisme voor hem een openbaring was, een heilsverwachting en in ieder geval een levensvervulling. Lichtvaardig was zijn besluit om lid te worden van de sdap beslist niet. Het socialisme was een ernstige zaak, die de nodige studie vereiste. Zelfs zoveel tijd ging heen met het lezen over sociale vraagstukken, dat zijn ingenieursstudie er ernstig onder leed. Albarda was zich er ook terdege van bewust dat een lidmaatschap van de sdap grote consequenties voor zijn toekomst kon hebben, omdat veel overheidsinstellingen liever geen socialisten in dienst namen. Ook zijn verhouding tot zijn Leeuwardense familie kwam er door onder druk te staan. Zij onderscheidden zich in het algemeen niet door liefde voor de nieuwe politieke stroming. Illustratief was dat de jurist Johan H. Albarda in 1894 in de Leeuwarder Courant de kiezers waarschuwde zich niet te laten bepraten door radicalen, sociaal-democraten en anarchisten. Een van de weinigen in Leeuwarden met wie Willem goed kon opschieten en verwantschap voelde was Geertruida Nolet-Adama (1847–1923). Zij was in Leeuwarden geboren als dochter van een juwelier en gehuwd met de Utrechtse boekhandelaarszoon Martinus J. Nolet. Bij zijn huwelijk nam Nolet van zijn schoonvader de handel in diamanten, goud- en zilverwerken over, die gevestigd was op Nieuwstad 154, naast Willems oom, de apotheker Albarda. Het was vooral in Willems hbs-tijd dat deze het echtpaar en hun drie zonen, Jaap, Toni en Henny leerde kennen. Begin 1899 liet Geertruida Nolet aan Albarda weten geïnteresseerd te zijn in het socialisme en onmiddellijk nam Albarda de pen ter hand om haar te adviseren over socialistische lectuur. Het betekende het begin van een briefwisseling, waarin geleidelijk aan ook andere onderwerpen aan de orde kwamen. Zij werd een soort moederfiguur, die hij raadpleegde in persoonlijke kwesties en bij wie hij zijn hart uitstortte. Voor fundamentele vragen aangaande het socialisme, waar Albarda zelf mee worstelde, was zij echter niet de aangewezen correspondente. Daarvoor benaderde Albarda in een brief van 15 december 1898 F.M. (‘Floor’) Wibaut (1859-1936), houthandelaar in Middelburg en samen met zijn vrouw, de onderwijzeres Mathilde (‘Tiele’) Berdenis van Berlekom, sinds 1897 lid van de sdap. Het was vooral Wibauts Voorwoord bij zijn vertaling uit 1891 van de Fabian Essays in Socialism dat Albarda had aangesproken en hij vroeg Wibaut of deze nog steeds geloofde in de socialistische propaganda onder de bezittende klasse. Sommige socialisten, zo wist Albarda, kwalificeerden deze ideeën als achterhaald. Zij zagen voor het proletariaat maar één weg, die van het geweld, om te veroveren wat op vreedzame manier niet te verkrijgen viel. Op eerste kerstdag antwoordde Wibaut dat hij scherper was gaan inzien dat de klassenstrijd van proletariërs tegen rijken en de haat van de socialistische bezitters tegen hun eigen klasse onontkoombaar waren. Albarda had zich echter in zijn brief afgevraagd of die haat zich ook moest richten op alle afzonderlijke bourgeois en kapitalisten, omdat dezen ‘uit hunnen aard ploerten’ zijn. In zijn jeugdige gedrevenheid had hij over het hoofd gezien dat ook Wibaut zelf directeur was van een groot bedrijf. Wibaut antwoordde vriendelijk dat Albarda’s overweging hem te ver ging. Vele kapitalisten konden het immers niet helpen dat zij tot de bezittende klasse behoorden. Zij waren slechts ‘door de omstandigheden toevallig aangewezen personen’. Niet alle bezitters waren ploerten, zo min als alle arbeiders heiligen waren.
‘Van Delft de Victorie!’ Steeds intensiever verdiepte Willem Albarda zich in het socialisme en hij maakte in deze periode onder gelijkgestemde studiegenoten vrienden, zoals Ch.G. Cramer, later Tweede Kamerlid voor de sdap, Sebald Rutgers, de van huis uit katholieke broers Theo en Jan van der Waerden, Constant F. Loke en Gerrit de Gelder. Deze laatste, kritisch Corpslid en medewerker aan In den Nevel, worstelde net als Albarda met de vraag of hij de stap naar de sdap zou zetten. Misschien was de prille briefwisseling van Albarda met Wibaut ook voor De Gelder aanleiding Wibaut te benaderen en waarschijnlijk had hij op 12 januari ook diens lezing in Delft bijgewoond over ‘Het socialisme gedemonstreerd aan het bedrijfsleven’. In ieder geval schreef hij hem op 17 januari 1899 dat hij net was afgestudeerd als werktuigkundig ingenieur en sociaal-democraat was geworden, wat had geleid tot een breuk met zijn vader, oud-lid van de Raad van Nederlandsch-Indië en geen groot socialisten-vriend. Vertwijfeld vroeg De Gelder aan Wibaut wat hij met zijn leven moest aanvangen. Wibauts antwoord is onbekend, maar De Gelder zette de stap naar de sdap en kort daarna ging hij werken bij de Arbeidsinspectie in Breda, als collega van Is P. de Vooys. Hij werd er secretaris van de sdap-afdeling, Albarda logeerde in de zomer van dat jaar bij hem en hield er lezingen. Sebald Rutgers, zoon van de bekende seksuoloog Johannes Rutgers, werkte mee aan In den nevel en sloot zich in 1899 aan bij de sdap. In zijn latere leven bekeerde hij zich tot het communisme en vertrok na de oktober-revolutie naar Rusland. Met Theo van der Waerden behield Albarda tot diens dood contact en hun levensloop vertoont enkele parallellen. Zij waren beiden actieve Corpsleden en bezield met dezelfde socialistische idealen. Van der Waerden werd civiel ingenieur en ging net als Albarda enige tijd als leraar werken. Vanaf 1918 tot zijn dood was hij lid van de Tweede Kamer, waar hij met zijn vriend Albarda een bankje deelde. Theo’s jongere broer Jan, jaargenoot van Albarda, was nota bene al sdap-lid toen hij in februari 1899 met grote meerderheid tot Senaats-preses van het Corps werd gekozen, wat, in de woorden van het Sociaal Weekblad, een ‘merkwaardig teeken des tijds’ genoemd kon worden. Kort daarvoor immers werd socialistische lectuur op de leestafels der studentensociëteiten nog ‘door zeer velen ongaarne gezien’, maar nu werd zelfs een sdap-er preses van de senaat. ‘Van Delft de Victorie!’, concludeerde Pekelharing. In een meeslepende rede op 29 september 1899 tot de kandidaat-Corpsleden riep Jan van der Waerden hen op ‘in gestadig zoeken’ zich te ontwikkelen, zich te ontworstelen ‘uit de beknelling der conventioneele begrippen’ en te ontkomen aan ‘vasthoudende bekrompenheid’. De bekende P.L. Tak, die zich in 1899 eveneens bij de sdap had aangesloten en in één klap tot de vooraanstaande intellectuelen van de partij behoorde, was in De Kroniek lovend over de ‘frissche wind’ die door het Delftsche Studenten Corps waaide. Het pleitte volgens hem voor het Corps dat de preses zo’n speech kon houden. Sterker nog, het was ‘ook een eer voor de Delftsche instelling van onderwijs’. En het Sociaal Weekblad jubelde: ‘Gelukkig die aanstaande ingenieurs, die door hunne oudere kameraden in zulke denkbeelden worden opgevoed!’ Van der Waerden zelf trouwens zei op de dag van zijn speech zijn sdap-lidmaatschap op, omdat hij bij nader inzien meende dat men op zo jonge leeftijd niet over ‘voldoende objectiviteit’ beschikte om ‘partij te kiezen in de sociale beweging van onzen tijd’. Een ander student sdap-lid verweet Van der Waerden echter juist dat hij in zijn speech niet ver genoeg was gegaan, zijn Senatorschap onvoldoende had gebruikt als propagandamiddel voor de sdap en te weinig uit naam van het proletariaat had gesproken. Geheel ontrouw aan zijn idealen werd Van der Waerden niet, want hij pleitte voor verlaging van de Corps-contributie en het verlenen van toelages aan Senaatsleden en de Almanakredactie, omdat anders niet-draagkrachtige studenten van het Corps-lidmaatschap af moesten zien of geen bestuursfuncties konden vervullen. Een ‘stormperiode’, zo karakteriseerde de Delftsche Studenten Almanak zijn presidium. De meest gedrevene in de kleine kring van sociaal-democratische studenten was ongetwijfeld Constant F. Loke, zoon van een Delfts ingenieur en zelf student technologie en daarna assistent aan de Polytechnische School. Net als Albarda liet Loke zich de geneugten van het Corpsleven niet ontgaan. Hij was lid van de Studenten Roei- en Zwemvereeniging, bibliothecaris van de Sociëteitscommissie, lid van de Commissie tot Behartiging van de Studiebelangen en penningmeester van het dispuutgezelschap g.d.u. (wat dat ook moge betekenen), maar tegelijk fulmineerde Loke als redacteur van In den Nevel tegen het leeghoofdige Corpsleven, de kroegjolen en de studentenmoraal. En op zijn studentenkamer op de Oude Delft 2 werd op 17 januari 1898 de plaatselijke afdeling van de sdap opgericht met elf leden, onder wie naast Loke zelf de studenten Sally Lindeman en Theo van der Waerden. Loke was de drijvende kracht in dit jonge gezelschap en voor de geestdriftige jongeman leek een grote carrière in de politiek weggelegd. Hij overleed echter begin juni 1901, op 24-jarige leeftijd, in Davos waar hij met tuberculose in een sanatorium was opgenomen. Theo van der Waerden herdacht Loke als een ‘stuggen idealist, die eenzaam en woordenloos zijn gansche leven had opgedragen aan het Volk om te dienen tot deszelfs verheffing’.
Pekelharing, de ‘rode professor’ De hiervoor genoemde hoogleraar staats-, administratief en handelsrecht en staathuishoudkunde Mr Balthus Hendrik Pekelharing is voor Albarda’s vorming van grote betekenis geweest. Van 1874 tot 1907 was ‘Peek’ aan de Polytechnische School verbonden, vanaf 1885 ook als secretaris van de Raad van Bestuur en in 1900 en 1901 nam hij zelfs de voorzittersfunctie waar. Vóór zijn Delftse tijd was de vooruitstrevende Pekelharing initiatiefnemer en secretaris van het Comité ter Bespreeking van de Sociale Quaestie, dat de hogere kringen wilde winnen voor maatschappelijke hervormingen. Hij publiceerde in links-liberale bladen als Vragen des Tijds en het Sociaal Weekblad en als enig Delfts hoogleraar steunde hij later de jonge Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. In zijn colleges viel hij de liberale beginselen aan, hij verdedigde het goede recht van de staat in te grijpen in het economische en sociale leven en stond al snel bekend als de ‘rode professor’. Niet voor niets verweet Abraham Kuyper hem eens onder de studenten ‘socialisten te kweken!’ ‘U overschat mijn invloed, Excellentie!’, was het antwoord. Albarda bezocht Pekelharing regelmatig thuis. Aan Geertruida Nolet beschreef hij hoe hij eens bij hem dineerde, samen met onder anderen freule Cornélie Huygens. Bij Pekelharings dood in 1922 schetsten Albarda en Theo van der Waerden in warme bewoordingen hoe hij bij veel Delftse studenten de liefde voor het socialisme had gewekt, zonder dat hij zelf trouwens was toegetreden tot de sdap. ‘Hij had geen strijdersnatuur. Voor het ruwe gevoel van de sociale worsteling was hij te zachtmoedig en te bescheiden’, schreef Albarda. Alleen bij de Spoorwegstaking van 1903 koos Pekelharing in een volle collegezaal voor de stakende spoorweglieden. ‘Dit moet’, dacht Albarda, ‘het schoonste uur van zijn leven geweest zijn!’
Debatten over socialisme Discussieplatform in het Delftse studentenmilieu was primair de Debating-Club, sub-vereniging van het dsc en al daterend uit 1874. In 1898 kwamen daar het Studenten-Weekblad en de Sociaal-Democratische Propaganda Club bij. Pekelharing was decennia lang de drijvende factor achter ‘Debating’, waarvan hij ook erevoorzitter werd. Vanaf 1895 werd de Club bijna een socialistisch gezelschap waar kopstukken uit de sdap kwamen spreken of de bijeenkomsten in de Leeszaal van Corps-Sociëteit Phoenix met hun aanwezigheid opluisterden. Franc van der Goes was er te gast, H.H. van Kol, oud-president van ‘Debating’, voerde er het woord over ‘het sociale vraagstuk’ en Wibaut over ‘de gevolgen van het tegenwoordige productiestelsel’. Voor Albarda en zijn mede-studenten betekenden deze bijeenkomsten een kennismaking met de socialistische voormannen en zij leerden er zich te bekwamen in het debat. De student Isaac P. de Vooys verdedigde op 26 februari 1896 de stelling dat de maatschappelijke veranderingen van de aanstaande ingenieur eisten dat hij trachtte inzicht te krijgen in het socialistische streven en in de sociale verhoudingen. Op 7 december 1898 sprak Theo van der Waerden over ‘Het feminisme in verband met het socialisme’ en bij die gelegenheid was de Club opengesteld voor dames, waardoor de bekende feministes Cornélie L. Huygens en Marie Jungius van de partij konden zijn. Zoals veel socialisten hadden Albarda cum suis trouwens een gecompliceerde verhouding tot het ‘burgerlijk’ feminisme. Zo zagen zij de noodzaak van de vrouwenkiesrechtstrijd niet in, maar man en vrouw moesten in hun visie schouder aan schouder strijden voor een rechtvaardige samenleving. Was die eenmaal bereikt, dan behoorde tevens de onderdrukking van de vrouw tot het verleden. Met Annette Versluys-Poelman, voorzitster van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK), kwamen de socialistische Corps-studenten in aanvaring, toen haar zoon Jan in 1899 deelnam aan de Delftse groentijd. Er werd hem gevraagd uit Troelstra’s Woorden van vrouwen niet al te vleiende passages voor te lezen over zijn moeder, die volgens Troelstra ‘eene philippica tegen de sociaaldemokratie’ had gehouden. Het leidde tot artikelen van Wilhelmina Drucker in Evolutie en van Annette Versluys en Theo van der Waerden in het Studenten-Weekblad, waarbij de laatste herinnerde aan Druckers uitspraak: ‘Het feminisme in Nederland is geboren uit de haat jegens de sociaal-democratie’. In zijn brieven aan Geertruida Nolet lijkt Albarda zijn best te doen juist vrouwelijke auteurs, zoals Anna de Savornin Lohman, Anna Kaulbach en Thérèse Schlesinger, te noemen. Ongekend scherp liet hij zich echter uit over de liberale Gonne Buisman-Blok Wijbrandi, prominent lid van de VvVK. Constant Loke was jarenlang een vooraanstaand lid van de Debating-Club. Hij was secretaris en erelid en stond altijd pal achter zijn standpunten, zoals op 21 februari 1897, toen hij de stelling verdedigde dat het enige antwoord op drankmisbruik onder de ‘minder gegoede standen’ geheelonthouding was. Op de bijeenkomst van 1 maart 1899 mengde Albarda zich voor het eerst in de discussies en hij ontpopte zich als een hartstochtelijk debater die er veel aan gelegen was gelijk te krijgen. Toen op 15 november 1899 het liberale Kamerlid K. de Boer het landbouwbeleid kwam verdedigen, liet Albarda met Loke zelfs contra-stellingen drukken waarin zij pleitten voor grotere zeggenschap voor de kleine boeren. In oktober 1898 verscheen het eerste nummer van het Delftse Studenten-Weekblad, dat ‘de ideeën der vooruitstrevenden’ wilde verkondigen. Tot de redacteuren van het eerste uur behoorden Willem Albarda en Jan van der Waerden. Het blad kreeg door het krachtige stempel dat Albarda erop drukte spoedig een sociaal-democatisch karakter en er verscheen bijna geen nummer zonder een bijdrage van hem, of het nu was over Toynbee-werk, de vakbeweging of over koloniale politiek. Het Weekblad stond zozeer in dienst van de socialistische propaganda dat in het voorjaar van 1900 Albarda, Sebald Rutgers en Jan van der Waerden (toen al geen lid meer van de sdap!) op de voorpagina de studenten opriepen zich op de sdap-krant Het Volk te abonneren. Bij het vijfjarig bestaan van het Weekblad verwonderde Albarda zich er over dat conservatieve studenten zo weinig tegenstukken hadden geschreven en hij verklaarde dat uit het feit dat ‘behoudzuchtigen onder de studenten’ slechts bij hoge uitzondering tot ‘krachtige verdediging’ in staat zijn. Bij festiviteiten mogen zij ‘pieten’ zijn, maar daarbuiten hebben zij ‘een geestdrift van Jan Salie en een bewapening van Jan Kallebas’. Sociaal Democratische Propaganda Club Begin november 1898 kondigden Loke en Jan van der Waerden in het Studenten-Weekblad de oprichting aan van de Sociaal Democratische Propaganda Club (sdpc). Vergelijkbare organisaties ontstonden in die tijd ook in andere universiteitssteden. Wat Wibaut in 1896/97 wilde bereiken met zijn lezingentoernee van buitenlandse socialisten gingen de studenten nu zelf doen. De sdpc-initiatiefnemers afficheerden zich als ‘Wetenschappelijke proletariërs’, wat P.L. Tak deed verzuchten dat de heren studenten zich wat al te gemakkelijk rekenden tot het ‘geleerd proletariaat’. Zij waren immers toekomstige ingenieurs en behoorden daarom niet tot de arbeidersklasse. Constant Loke ging overstag en erkende dat hij zich in zijn ijver wellicht wat al te zeer had laten meeslepen. Cornélie Huygens sprak op 30 november 1898 als eerste voor de sdpc; Franc van der Goes volgde met twee lezingen over ‘Omwenteling der bourgeoisie’. Tot het voorjaar van 1902 was het een komen en gaan van de leiders uit de (internationale) socialistische wereld. De sdpc, waarvan Albarda enige tijd voorzitter was, had ook een eigen, bescheiden bibliotheek, gevestigd op de Oude Delft 25, terwijl de industrieel Van Marken zijn persoonlijke boekenverzameling ter beschikking van de leden stelde.
Beslissende stap ‘Weiniger onzer maakten zo’n gedegen studie van de socialistische literatuur’, oordeelde Theo van der Waerden later over Albarda, en bijna niemand was in staat zo ‘voornaam en raak’ met tegenstanders te debatteren. ‘Albarda kwam na Loke, vóóraan en groeide gestaag. Het was voor ons heerlijk als wij Prof. Pekelharing hoorden verklaren, dat wij van dezen jongen man in de toekomst zouden horen, dat wij trots op hem zouden zijn’. Na zijn brede oriëntatie nam Willem Albarda op 22-jarige leeftijd de beslissende stap toe te treden tot de sdap. Op 15 juni 1899 meldde hij zich vanuit Leeuwarden schriftelijk aan bij de dertien leden tellende Delftse afdeling. Al voor die tijd had hij trouwens enig contact met de afdeling, want op 18 mei 1899 excuseerde hij zich dat hij door examendrukte vergeten was ƒ10,– te zenden. Elke organisatie, hoe klein ook, leek in die jaren wel zijn eigen boekerij te willen hebben. Ook de Delftse afdeling begon er een. Op 7 juli 1900 informeerde Albarda of de afdeling al Wibauts vertaling van de Fabian Essays bezat en Het heden en de toekomst van Robert Blatchford, in 1895 vertaald door Henri Polak. Tot oktober 1901 bleef Albarda nog lid van het Corps. Zijn meeste vrienden hadden toen, na een studietijd van vier à vijf jaar, hun ingenieurstitel behaald en Delft verlaten. Dit in contrast tot Albarda die maar liefst acht jaar studeerde en pas in juni 1903 uit Delft vertrok. Zijn tanende belangstelling voor de ingenieursstudie was daar debet aan en het socialisme werd steeds belangrijker voor hem. Hij nam het zo serieus dat hij er zelfs bezwaar tegen had dat iemand zich socialist noemde die niet eerst een grondige studie had verricht. Hij bezocht de afdelingsvergaderingen, wierf geld en abonnees voor het partijblad Het Volk, schreef voor het Studenten-Weekblad, waarvan hij tot januari 1900 redacteur was, wijdde zich in Leiden en Delft aan het Toynbee-werk en zette zich in voor de ‘Delftsche Coöperatieve Broodbakkerij en Verbruikersvereeniging «Vooruit»’. Dit laatste was geheel in lijn van Wibaut, die een fervent propagandist was van verbruikerscoöperaties en van het Toynbee-werk. Dit beoogde persoonlijk contact tussen arbeiders en de bezittende klasse tot stand te brengen en cursussen voor arbeiders te organiseren en het paste zo ook in de traditie van Fabians, die uit waren op samenwerking tussen arm en rijk. In het najaar van 1901 haalden Albarda en Wibaut de Italiaanse socialist en strafrechtgeleerde Enrico Ferri naar Delft voor een serie van vier lezingen. Diens optreden werd een groot succes, het aantal belangstellenden liep op tot 140. Op 8 oktober liet Albarda een gedrukt en door hemzelf ondertekend kaartje verspreiden, waarop hij aankondigde dat bij de volgende lezingen van Ferri een busje zou staan waarin men geld kon deponeren voor een ‘aandenken’ voor Ferri. In zijn Delftse jaren werd voor Albarda’s latere carrière de grondslag gelegd. Hij leerde de belangrijkste socialisten kennen uit binnen- en buitenland, bezocht de landelijke partijcongressen en ging in september 1900 naar het Internationaal Socialistisch Studentencongres in Parijs. De invloed van Pekelharing en de bijeenkomsten van de sdpc en de Debatingclub vormden zijn socialistisch bewustzijn. Omgekeerd was hij enige tijd met zijn tomeloze inzet en ijver de spil van het Delftse socialistische (studenten-) milieu.
In 1902 begon het enthousiasme voor ‘Debating’ af te nemen en steeds minder kwam het voor dat leden zelf Stellingen verdedigden. De socialistische vrienden van Albarda waren inmiddels afgestudeerd en hijzelf was in de eindfase van zijn studie. Vanaf 1902 liep ook de belangstelling voor de sdpc langzaam terug; begin 1903 ging een geplande cursus van Van der Goes wegens gebrek aan publiek niet door. Ook Albarda trok zich langzaam terug, want in zijn laatste studiejaar was hij gedwongen veel tijd aan zijn studie te besteden. Toen Karl Kautsky in april 1902 naar Delft kwam, hield Albarda zich op de achtergrond, omdat hij bang was dat zijn professoren het niet zouden waarderen als hij de indruk wekte tijd te hebben voor de organisatie van Kautsky’s lezing. In Albarda’s brieven aan Geertruida Nolet en Floor Wibaut zijn zijn bemoeienissen met de socialistische beweging en de ontwikkelingen in het studentenmilieu op de voet te volgen. Brieven na oktober 1900 aan mevrouw Nolet zijn er niet meer, waarbij onduidelijk is of die verloren zijn gegaan of dat het contact was verflauwd. De briefwisseling met Wibaut hield echter stand en het contact tussen beiden leidde tot een levenslange vriendschap. Bij het huwelijk op 23 december 1903 van Albarda en Anna Brals (1874–1929), dochter van een Delftse hbs-directeur, was Wibaut een van de getuigen. Toen het bruidspaar het stadshuis verliet had Wibaut opgemerkt: ‘Daar gaan er twee het leven in!’
In juni 1903 slaagde Willem Albarda voor het examen werktuigkundig ingenieur, twee maanden later behaalde Ans Brals de akte MO-tekenen. Na enkele mislukte sollicitaties – waarbij zijn SDAP-lidmaatschap hem parten speelde – werd Albarda uiteindelijk per september 1903 aangesteld als leraar wiskunde aan de HBS te Almelo. Weer enkele maanden later, in december 1903, huwde hij in Delft Ans Brals.
Inge de Wilde studeerde Franse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Zij publiceerde onder andere over Mina Kruseman, Aletta en Charlotte Jacobs en Helene Mercier, en promoveerde op Nieuwe deelgenoten in de wetenschap – vrouwelijke studenten en docenten aan de Rijksuniversiteit Groningen (Assen, 1998). Dr. De Wilde is thans verbonden als beleidsmedewerker aan de Rijksuniversiteit Groningen.
noten 1 Ook H. Roland Holst (1911), H. Verwey-Jonker (1988) en G. Brom (1923) wezen later op het socialistische Delftse studentenmilieu. 2 In 1863 werd de Koninklijke Akademie in Delft omgezet in een Polytechnische School (PS), waar men kon worden opgeleid tot ingenieur en technoloog. De PS behoorde formeel tot het Middelbaar Onderwijs (vandaar dat ook HBS’ers toegang hadden tot de examens), maar kende wel hoogleraren. In 1905 werd de PS Technische Hogeschool, die tot het Hoger Onderwijs werd gerekend. 3 Muntjewerff (1977). J.C. van Marken (1845–1906) was tevens oprichter van de Fransch-Hollandsche Oliefabrieken Calvé-Delft en de Lijm- en gelatinefabriek te Delft. 4 J.C. van Marken, ‘Sociale ingenieurs’, DSA (1894) 155–170. 5 DSA (1896). Het DSC telde in 1895 278 leden op een totaal van 386 Delftse studenten.
|
|
|
Diner op studentensociëteit Phoenix (circa 1900)
In haar sleutelroman Barthold Meryan (1897) voerde de socialiste Cornélie Huygens de Delftse hoogleraar B.H. Pekelharing (Denners in het boek) ten tonele. Huygens beschreef hoe Pekelharing bij zich thuis in de Phoenixstraat studenten van de Polytechnische School ontving om met hen te discussiëren over Marx, het socialisme en de klassenstrijd.
foto’s afkomstig uit: ‘een sterke geest van vrijheid’, iisg/amsterdam, 2000
|
|
Willem Albarda als student
|
|
Senaat van het Delftsch Studenten Corps 1899-1900 met Jan van der Waerden als preses
|
|
Oproep in het Studenten-Weekblad van 3 mei 1900 om
abonnee te worden van de sociaal-democratische partijkrant Het Volk
|
|
Delftsche Coöperatieve Broodbakkerij en Verbruikersvereeniging ‘Vooruit’
|
|
Maskerade bij het elfde lustrum van het
Delftsch Studenten Corps in 1898
|
|
Stellingen van Willem Albarda over ‘Staatspensionneering van oude arbeiders’
|
|
Advertentie in het Studenten-Weekblad (31 oktober 1901)
|
|
Willem Albarda, sociaal ingenieur en politicus, op latere
leeftijd
|
|